Vriendschap

Daar zaten we dan, gedrieën, aan een tafeltje met uitzicht op het Schouwburgplein. De filmzaal hadden we minder dan een uur geleden verlaten en het voelde alsof het verhaal ons verhaal tot leven bracht. Niet dat we het al die jaren verborgen hielden, integendeel! We hebben er juist een levenstaak van gemaakt. Wij zijn ónze identiteit, ónze taal, ónze geschiedenis, ónze criticasters, ónze ouders, wij zijn ons nu.

Een stortvloed aan woorden werd over de vierkante meter gegooid. De man in ons gezelschap aanschouwde zoals gebruikelijk zwijgend en fronsend dit tafereel. Af en toe maakte hij een opmerking om het luidruchtige betoog wat te temperen. Dat ontging ons natuurlijk niet, dit herkenden we wel en het lokte vaak een nieuwe stortvloed aan nog meer woorden uit, vergezeld met Indo-Maluku uitroepen en uitbundig gelach. Zou de andere afwezige man er ook  zijn, dan was het niet anders geweest.

Zo begon het ook voor ons, eerstejaars Indonesische talen in Leiden. Ik wist niet wat ik aan zou treffen na mijn tussentijdse overstap van het Sanskriet in Utrecht. Een enkele Molukse studeerde er al en Indo’s, zoveel had ik nog niet bij elkaar gezien. Het was wat onwennig in het begin, want ik dacht dat iedereen flink aan de studie ging, maar al gauw was er geen houden meer aan. Je kon je verhaal kwijt, je hoorde nieuwe verhalen, we praatten uren over eten – altijd dat eten. We deden vooral leuke dingen samen, zoals dans en gamelan, we gingen naar lezingen, voorstellingen, films en we haalden studentikoze acties uit, die achteraf gezien geen naam mochten hebben.In de jaren die erop volgden werd de groep studenten kleiner. Ik koos de taalkundige kant en de mannen beten zich vast in de klassiek Maleise literatuur. We hielden contact met elkaar, onze ‘pater familias’ Rob was in al die jaren de constante factor.

De film ‘Soegija’ wilden we met z’n drieën zien. Het kwam niet in ons op om iemand anders te vragen. Het is een pact gebaseerd op gegroeide begrip voor elkaar, omdat we het van elkaar weten, omdat we weten dat de geschiedenis in Nederland niet goed verteld wordt, omdat we weten wat het ons doet, maar vooral ook vanwege onze ouders, die in de nadagen van het kolonialisme en tijdens de opkomst van het nationalisme, hun identiteit vertrapt zagen.

We waren enthousiast na het zien van de film, het verhaal van de Indonesiër ontroerde ons. Hij benaderde met mededogen de Indonesiër, de Nederlander, de peranakan Chinees en zelfs de Jap. Natuurlijk waren er ontbrekende schakels, en werden groepen mensen niet genoemd, maar de tederheid waarmee de verhalen verteld werd, deed ons goed. In de film werd naast het Indonesisch ook Nederlands gesproken, maar vooral de grote rol van het Javaans in de film was veelzeggend. Destijds werd de studie van het Javaans als tweede taal naast het Indonesisch van groot belang geacht. Ik verstond en begreep de kracht van de taal in de film, het Krama van de intellectueel, de hooggeplaatste, met het Ngoko, de taal van een volk. Ik leer hieruit dat de eigen taal van een volk, dat wat in het bloed zit, de taal is van het hart.

Door de studie ben ik dichter bij mijn taal gekomen. Wat ik nu ook weet is dat in die tijd het begin van onze vriendschap voor het leven ontstaan is.

Opgedragen aan Cindy Smits, Rob Dumas en Koert Meijer.

2 Comments

  1. Tepat! Goed geformuleerd, Magda. Jouw beschrijving van ons tafeltje lijkt wel het begin van een filmscene. Wij maken ieder onze eigen film(reportage), nietwaar. Maju, jangan mundur ee!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s