Istori koffer door Catharina Luhulima

Het verhaal ‘Istori Koffer’ heeft Catharina voorgedragen tijdens de Indo-Maluku Garden Party in 2012. Daarmee wilde ze haar schilderij van de koffer van haar vader een verhaal meegeven. De koffer stond op die dag centraal en ook Shella Lapré heeft met haar kofferproject de geschiedenis van Indo’s en hun afkomst, een gezicht gegeven. Zie ook “Ik ging op reis en ik nam mee …” 

Istori koffer

Ambonezen gebruiken de orale traditie om hun istori2 (verhalen) over te brengen. Hier volgen enkele verhalen uit het leven van mijn vader. Mijn vader heette Johan Luhulima. Johan Luhulima werd in 1922 geboren in het dorp (negeri) Ihamahu op het eiland Saparua. Hij overleed in 2007 op 85-jarige leeftijd in Leerdam, hier in Nederland.  Mijn vader was een bijzonder mens met een bijzondere levensgeschiedenis. Hij was net zoals zijn vader en diens vader, visser van beroep. In 1945 trouwde hij met mijn moeder.  Ze kregen een zoon die na 10 maanden overleed. Mijn moeder was maandenlang ontroostbaar en haar moeder stelde toen aan m’n vader voor om voor een jaar te tekenen als vrijwilliger bij het KNIL. Het zou voor hun beiden een uitkomst zijn, tijdelijk in een andere omgeving te vertoeven. In Solo op Java kon mijn moeder de geboorteplaats van haar Javaanse grootmoeder bezoeken en een jaar was zo om.

Mijn vader behoorde tot de laatste rekruten, hij was toentertijd nog verzwakt van de wonden die hij had opgelopen tijdens zijn krijgsgevangenschap onder de Japanse bezetting. Toelating tot het KNIL was daardoor tamelijk onzeker. Door een list echter, het verwisselen van urinestalen, is hij door de keuring gekomen. Zijn vader had gehoopt dat hij niet door de selectie zou komen. Mijn grootvader nam het mijn vader zeer kwalijk dat hij voor de Nederlanders ging werken. Mijn grootvader sprak niet van ‘Nederlanders’, maar van ‘die gluiperige koloniale blanda’s’. Mijn grootvader was een nationalist en hij stond achter de ideologie van Soekarno.

Mijn ouders verlieten met hartzeer hun geliefde eiland Saparua, waar zij beiden waren opgegroeid en ze vertrokken per schip naar Bandung. Ondanks dat mijn vader geen militaire achtergrond had, blonk hij uit en kon hij geruisloos, snel, kronkelend als een slang over de grond, zijn doel bereiken. Belangrijk was ook dat mijn vader zich door middel van sterrennavigatie goed kon oriënteren en de weg kon vinden. Vanwege deze bekwaamheid werd hij in het leger aangesteld als verkenner. Vanaf zijn derde jaar voer hij vaak met zijn vader midden in de nacht op open zee, voorin gezeten in de smalle prauw. Hij leerde hoe je de sterrenhemel kon gebruiken om de koers te bepalen. Hij werd ingewijd in de rituelen van de traditionele vissers, nauwlettend in het oog houdend, de maanstand, zonsopgang, elke rimpeling in het water, de vlucht van fregatvogels.

Hoe anders was het op die dag, 29 april 1951, toen hij als speelbal, komende uit een andere wereld met mijn moeder en drie kleine kinderen in het koude Amsterdam, ziek ontscheepte van het schip New Australia met als enige bezittingen….. koffers. Als kind rook ik bij het openen van de koffers, de geur van kretek, van nootmuskaat vermengd met die van kampferballen. Ik wist dat ik een deel van mijn ouders leven binnentrad die ik niet kende, het leven van toen. Ihamahu, Saparua, Djapang, Bandung, Soldadu, Tarakan, Soekarno, Prang, Oorlog. Als mijn ouders hun verhalen vertelden, luisterde ik naar de met melancholie oproepende klanken in de stem van mijn moeder en ik werd deelgenoot van de scheurende pijn van heimwee naar het geliefde vaderland. Mijn meestal zwijgzame vader vertelde dan verhalen over de voorouderlijke tijd, over de adat, afgewisseld met verhalen over de tijd dat hij als militair bij de Andjing Nica, een onderdeel van het 5de-bataljon infanterie diende. Dat waren spannende en ook niet altijd heroïsche verhalen. Mijn vader, niet bepaald de bangste, deed in de voorste gelederen van het Andjing Nica bataljon zijn plicht als verkenner. Het bataljon was steeds mobiel waardoor men onverwachts toe kon slaan, door uit een richting te komen die niet werd verwacht. Men ging alleen ‘s nachts op patrouille, in kleine eenheden, katachtig, geluidloos en onzichtbaar verrasten ze de tegenstanders, geruisloos en effectief.

Vlak na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië verslechterde de situatie voor de KNIL soldaten. De militairen mochten Tjimahi op Java helemaal niet meer uit, zelfs niet om op verlof naar Bandoeng te gaan. Dat was voor de Andjing Nica soldaten die alleen gevechtsdiscipline kenden en zeker geen modelmilitairen waren, net iets te veel gevraagd. Er werden medailles uitgereikt aan militairen voor getoonde moed, waaronder mijn vader. Hij nam zijn medaille niet in ontvangst en hij ging op eigen houtje, zonder daarvoor verlof aan te vragen, naar het Tjihapitkamp in Bandung, waar mijn moeder en m’n oudste broer zaten.

Mijn vader had zijn gezin een half jaar lang niet gezien en hij vertrok lopend over de spoorbaan en een enkele maal in een auto, dwars door barricades van het leger van de Republiek Indonesia. Om vervolgens ongedeerd aan te komen. Mijn moeder vertelde dat hij de meest slechte soldaat was die er bestond,  daar hij regelmatig tegen de bevelen inging. Ook stond hij weleens met de wapen in de aanslag gericht naar zijn meerderen, wanneer het koloniaal denken hem woedend maakte. Hij voelde zich gebruikt en ervoer het als een vernedering dat Nederlandse militairen meer soldij kregen dan zijn vriendensoldaten zoals de Javaanse moslims. Mijn vader moest vaak voor de krijgsraad komen.

Elke keer als de koffers opengingen kwamen er weer nieuwe verhalen en begon ik steeds meer te begrijpen van hun leven van toen: hun jonge levensjaren  op Ihamahu  op Saparua. Dierbare herinneringen, die ze koesterden aan het leven in het vaderland, dat ze achterlieten op het moment dat ze op de boot stapten om op 7 april 1951 vanuit Surabaya hier naar Holland te komen, een ongewisse toekomst tegemoet.

Het had die nacht licht gevroren toen de boot de haven van Amsterdam naderde. Mijn vader lag ziek, verzwakt door malaria en dysenterie,  sterk vermagerd in de ziekenboeg van het schip New Australia. Mijn moeder was bang dat mijn vader zou komen te overlijden en zij met 3 kleine kinderen achter zou blijven, in een land waarvan ze de taal niet sprak.

schip

De militairen en hun gezinnen kregen te horen dat ze pas de volgende dag van boord konden. Ze kregen te horen dat men in quarantaine ging vanwege kinkhoest, maar waarschijnlijk had het ermee te maken dat Amsterdam zich opmaakte voor de viering van Koninginnedag 30 april. Ze waren nog even niet welkom. Mijn moeder vertelde dat toen ze het bericht kregen, ze allen in onzekerheid, stil, verslagen en verdrietig in het ruim zaten. Een oudere vrouw begon een lied te neuriën en langzaamaan sloten enkele mannen en vrouwen zich daarbij aan en gezamenlijk zong men daar op het schip Molukse liederen, sommigen begonnen zachtjes huilen.

Het gevoel van onveiligheid en kwetsbaarheid bracht mijn gelovige moeder ertoe, zich door middel van allerlei gebruiken op magische wijze te beschermen. Met de moed der wanhoop zonderde ze zich af en ze besloot naar boven, naar het voorsteven van het schip te gaan om haar blanke Nederlandse Friese voorouder, Maria Elizabeth de Cock, die ten tijde Van de VOC op Ambon terechtkwam op te roepen met de woorden: “Ooit bent u op het lieftallige eiland Saparoea gekomen en nu op mijn beurt kom ik aan op uw geboortegrond, nederig vraag ik u om mij te beschermen en te behoeden opdat ik veilig met mijn gezin hier tijdelijk kan verblijven.”

Dit is een van de adatrituelen die men in leven houdt naast het christelijke geloof. Ambonezen leven met de overtuiging dat de voorouders over het welzijn van de nakomelingen waken en dat zij diegenen die tegen de adat zondigen op bovennatuurlijke wijze straffen. Het niet houden aan de regels van de voorouders roept onheil op je af, met als resultaat ongeluk, ziekte en zelfs de dood.

Wat zat er nog meer in de koffers. Ik keek heel erg uit naar het moment dat mijn vader de zware deksels van de koffers opensloeg en er allerlei dingen uit haalde, een vervaarlijk uitziende klewang, een rood embleem met een hondenkop als afbeelding, een grote dolk gevat in een donkerbruin lederen schede. Naast zijn stapel militaire tenues, gabardine kaki broeken en overhemden, zie ik nog tientallen keurig in stapels gevouwen gebatikte doeken, met gouddraad geweven kain2 in verschillende kleuren, zwart glimmende satijnen en fluwelen sarongs en kabaya’s geborduurd met gitzwarte kraaltjes, de gesteven witte katoenen lange baatje, ook van batist of organza met  kantversieringen. In een doos zie ik vergeelde foto’s met op de achtergrond wuivende palmen. Ik zie fluwelen muiltjes. Uit de koffer kwam ook een zelfgemaakte bamboefluit die mijn vader met zijn slanke vingers bespeelde als een dwarsfluit. En een dik met zwart fluweel bekleed oud psalmboek. Met een countertenorstem begon hij dan zachtjes met mijn moeder tweestemmig psalmliederen te zingen en ik rook die heerlijke geur uit de koffer die in de kleine kamer bleef hangen, totdat het zware deksel de koffer weer afsloot.

Hun eerste kind, een zoon, stierf als baby in Ihamahu, een ander kind moest kort na de geboorte worden prijsgegeven aan het graf in de Zeeuwse klei van Oostburg, het terrein van de eerste jaren in Nederland. In het begin mocht er officieel  niet worden gewerkt in de Molukse woonoorden.  De betutteling door de Nederlandse overheid was alom aanwezig. Toch werd er bij de Zeeuwse boeren van Oostburg en Kruiningen op het land gewerkt.

Jarenlang bewaarden mijn ouders hun spullen in de koffers, om zo gemakkelijk mogelijk op te stappen als het zover mocht komen. Maar de hoop slonk met het verstrijken der jaren hier in Nederland. Mijn vader was ondanks zijn trotse uitstraling een gevoelsmens. Sommige keuzes die hij bij de opvoeding van zijn kinderen moest maken zijn soms pas veel later begrepen als handelingen uit liefde. Zo had mijn vader een van zijn kinderen uitbesteed aan een nicht van hem, met de overtuiging dat ze goed voor haar zouden zorgen. Dat bleek niet het geval, na 5 jaar eiste hij zijn kind weer terug. Hij heeft daar nooit meer over gesproken en heeft zich daar altijd schuldig over gevoeld.

Voordat hij stierf besloot ik koffers te schilderen, de koffers met verhalen. Koffers ter ere van hem en de velen die hier in 1951 met de boot in het koude kille Nederland aankwamen. Vanaf het jaar 1962 waarin wij als gezin vanuit de woonoord Kruiningen naar woonwijk Leerdam kwamen is het uitzicht van de Lindestraat op de weilanden intact gebleven, een unicum. Ik weet dat mijn vader dat uitzicht waardeerde, dat hij ervan genoot. Urenlang kon hij vanuit zijn stoel over de weilanden staren en soms vroeg ik me af waar hij aan zou denken.

7 Comments

  1. Om zo over je vader te kunnen schrijven, bijzonder en bijzonder.

  2. mooi beschreven . fijn om dit te kunnen lezen. in mijn familie is eigenlijk weinig bekend over de periode voordat mijn ouders in Nederland kwamen. spijt dat we niet genoeg moeite hebben gedaan om dit te bevragen toen ze nog leefden. destemeer geniet ik van dit soort verhalen vooral als ze ook zo mooi beschreven zijn. dank!

  3. Fijn dat je het met ons wil delen. Kippenvel krijg ik ervan, als ik aan mijn vader denk.

  4. Bitterzoet neemt bij mij de overhand naarmate ik verder lees…de verhalen die mijn vader(rip) me ook daarover vertelde…één ding wat mee steeds bijblijft is dat hij zei…geef nooit de moed op!…dank voor je verhaal.

  5. Heb dank voor plaatsing Magda. Want, wat een met liefde opgeschreven respectvol verhaal. Dankjewel Catharina. Je ‘istori’ doet bij mij vervolgens oude tijden herleven in minstens tweeërlei opzicht. Vanuit de Beukstraat had je slechts een beperkte blik op dat panoramisch weids vergezicht, dat naar het Westen uitstrekte tot voorbij de Koenderseweg. Wij konden vanwege onze kleine kijkhoek de kerktoren van Leerbroek City niet zien. Frans Lopulalan vanaf de Broekgraaf wel. En ook Wim Manuhutu had in zijn jonge jaren een brede kijk en riant uitzicht op het polderlandschap van de Vijheerenlanden. Trouwens, evenals de waarschijnlijk inmiddels FPU-ënde onderwijzers Bastiaan Wattimury en Joop Malawau. Je verkeert in elk geval in gerenommeerd gezelschap Catharina.

    Mijn vermogen tot (spontaan) herinneren is de laatste jaren aan slijtage onderhevig, maar komt gefragmenteerd weer enigszins op krachten wanneer derden mij steunpunten aanreiken die associaties oproepen, of mij er anderszins op attenderen. Soms uit onverwachte hoek, zoals nu. De naam Corrie schiet mij te binnen en ons met succes afgerond MULO-examen in 1968. En Oom Johan uiteraard, waarvan mij het beeld is bijgebleven, een man die zich door weer en wind op zijn bromfiets naar zijn werk spoedde. Tja, en dan de KNIL-militair zoals jouw vader en de mijne en die van Frans, Wim, Bastiaan en Joop en al hun mede-generatiegenoten. Ambonese KNIL-soldaten van het eerste uur. Founding fathers van de naar buiten toe niet zichtbaar onderling sterk verdeelde Molukse gemeenschap in Nederland.

    De eerlijkheid gebiedt mij onmiddellijk op te biechten, dat anders dan in jouw geval Catharina, ik in den beginne niet zo geïnteresseerd was in mijn vader’s verleden, waarover ik achteraf -how bizar- ‘himmelhoch jauchzend’ gestemd ben dat vader’s door onmacht tot machteloze woede opwekkende en ‘zum Tode betrübt’ makende ‘istori’ mij naar Nederland heeft gebracht. Niettemin als puber in de ‘sixties’ opgegroeid met de opkomst van The Beatles, The Stones en the Britsh Wave en het solo-leven daaropvolgend, heb ik nagelaten wijlen mijn Aborese ouders daarover indringend nader te bevragen. Dat besef is helaas te laat gekomen. Met horten en stoten probeer ik nu mijn vader’s KNIL-verleden bij elkaar te sprokkelen. Het tangsi-gebeuren en het leven van een ‘anak kolong’ om slechts twee aspecten te noemen, moet ik nu uit boeken zien te halen om op die wijze haar grootouders’ verleden aan mijn eigen anak setengah darah door te kunnen geven . Ja, ik ken dus o.a. ‘Onder de sneeuw een Indisch graf’ en ‘Snijden & Stikken’ en ‘De verzwegen soldaat’. Ik heb ze verslonden. Ook jouw persoonlijk verhaal bevat meerdere herkenbare elementen, maar ontroert mij des te meer omdat het door jou genoemd (voor)ouderlijk vissersleven weer een vergeten herinnering bij mij bovenbracht.

    Na de houten barak in Middelburg als buurjongetje van de Ceramese domineesfamilie Pentury, het stenen huis in de Glasstad. De arglistige overgang van tijdelijkheid naar voor ‘onbeperkte tijd’’? Niks eethoek of woon- of zitkamer, maar gewoon ‘de kamer’. Hiervan herinner ik me weer dat als wij kinderen de kamer moesten verlaten er werd gezegd ‘naar buiten’, waarmee keuken of slaapkamer werden bedoeld. In de kamer stond één grote hoge kast. In de zijkant van de kast was een spijker geslagen. Na een zware werkdag als kraandrijver op een scheepswerf in Gorinchem kwam vader moe thuis. Maar ondanks die vermoeidheid was het vaste werkdagelijks ritueel de trap op naar de slaapkamer waar de ‘piring bidden’ stond. Als het fraai door moeder geborduurd kleedje was omgeslagen, volgde het immer gloedvol (dank)gebed in het Maleis. Op een wijze, waarvan ik altijd de overtuiging heb gehad dat alleen Ambonese KNIL-vaders van de eerste generatie dat zó konden.

    Het avondeten –wat tegenwoordig in gekwalificeerde restaurants als rijsttafel bekend staat- en vooral het warm dessert van surrogaat-sagomeel noopte tot uitbuiken. Daarna ging vader voor de zijkant van de kast staan, pakte iets van boven af weg en hing dat aan de spijker en er ontvouwde zich een prachtig visnet van wit garen waar hij dan heel geconcentreerd in alle rust verder aan werkte. Ik denk te weten naar welke oosterlengte- en zuiderbreedtegraden zijn gedachten dan afdwaalden. Zijn kinderen noch zijn cucu cucu hebben zich deze vaardigheid eigen gemaakt; zo ook het spreken van bahasa ‘Lealohy Samasoeroe’. Deze specifieke herinnering kwam na vijftig jaar weer bovendrijven na het op me in laten werken van de zin: [Quote]‘Hij was net zoals zijn vader en diens vader, visser van beroep.’[UNquote]

    Wil ik gaan afsluiten, schiet nu in gedachten dat mijn vader het weleens over een bepaalde ‘golf’ had. Hoe en wanneer je moest tellen weet ik niet meer, maar het ging om de elfde of dertiende golf die aan kwam rollen. Blijkbaar was dat het moment om dan met de perahu van strand te steken om veilig door de branding te komen. Ja, onze ouders hadden de weliswaar poëtisch blauw, maar evenzeer de machtig diepe Bandazee binnen handbereik. Wij, hun kinderen overbruggen op z’n janboerenfluitjes het lieflijk voortkabbelend Betuwestroompje de Linge. Wat een wereld van verschil.

    Overigens zag ik op een YouTube filmpje van de Leerdammer Ies Marinus ‘Pasar Saparua. Hari Saptu 12-05-2012’, dat de zeevruchten uit de Bandazee vandaag de dag worden aangeleverd door vissers van Nusa Laut.

    Sudah. Al! Misschien tot een volgende opleving van een herinnering aan, van wat was maar ‘effectief’ zó nooit had mogen zijn.

    Terima kasih Catharina for bringing back memories. Blijf schrijven!!!

    PS
    Excuus Magda, als mijn reactie wat langer is uitgevallen dan de bedoeling is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s