Kia, mijn moeder (4)

Met een stapeltje boeken verliet ik het huis van mijn vader. De oude man zwaaide me uit bij de voordeur. ‘Pi djua Ina’, zei hij. Hij was blij met mijn komst en het pannetje soep.

Terwijl mijn vader in de keuken aan het rommelen was, vond ik twee handgeschreven documenten tussen een stapeltje oude boeken. Eėn document was uit 1956 en werd mijn ouders bij hun huwelijk aangeboden namens de kerkeraad der Vereniging van Vrije Hervormden. Het bevatte de volledige tekst van de huwelijksbevestiging. Het oudere document was de akte van geloofsbelijdenis van mijn moeder, die in 1952 in Bern werd uitgesproken. De tekst van de huwelijksbevestiging kon ik maar moeizaam ontcijferen. Ik vroeg me af of de dominee een persoonlijk woordje had gesproken, want hij kon mijn ouders niet lang gekend hebben.

Mijn Bijbelse kennis reikt niet ver. De vele jaren op de zondagsschool in het woonoord leerden mij wel de bijbelverhalen. Toen het tijd werd om geloofsbelijdenis te doen – ik verzette me daar in eerste instantie tegen – heb ik eerst in de Nederlandse Gereformeerde kerk een bijbelstudie gevolgd. Het waren tot mijn verbazing felle discussies die tijdens de bijeenkomsten werden gevoerd. Toen ik de kritische benadering ging waarderen, werd de dominee prompt uit zijn ambt gezet. Ik vervolgde mijn lessen in de Molukse kerk, maar van kritisch denken was weinig sprake. Ik begreep wel dat mijn ouders hun taak niet volbracht zagen, wanneer ik geen geloofsbelijdenis zou doen. Het was voor hen de aanvaarding van een verbond, dat na de doop nog bekrachtigd moest worden.

Dat mijn moeder, zonder de zachte dwang van ouders, zelf verkoos om haar geloof te belijden, vind ik nog steeds bewonderenswaardig. Op twintigjarige leeftijd kreeg ze privélessen van een gereformeerde dominee. Het boekje ‘Ons Ja’, dat ik in de boekenkast van mijn vader vond, richten de schrijvers tot “onze jongens en meisjes die openbare belijdenis deden en bespreken we met hen de vragen, die hun gesteld zijn en dezelfde zijn als de door de Generale Synode geformuleerde”. Uitdrukkingen als ‘Hoe ik dieper poog te delven, hoe ik meer bederf ontmoet’ en ‘Verstandelijke kennis is niet genoegzaam’ maken me des te nieuwsgieriger. Een handzaam boekje met 245 vragen, de decaloog (de tien geboden) en Het Onze Vader, heb ik in mijn vage herinnering wel bestudeerd, ter ondersteuning van de Maleise teksten die ik uit mijn hoofd moest leren.

Op de laatste avond van het oude jaar deed mijn moeder, zonder de aanwezigheid van haar naaste familie, belijdenis ten overstaan van de Nederlandse kerkelijke gemeenschap in Bern en vier jaar later gaf ze haar jawoord aan mijn vader in Slikkerveer. Slechts een paar getuigen waren op de huwelijksdag aanwezig geweest. Onze nalatenschap zijn de paar vergeelde foto’s, die door een ambtenaar in de haast zijn vastgelegd.

De persoonlijke boodschap, die de dominee mijn ouders in zijn preek heeft meegegeven, doet mij geenszins deugd.

“Eén ding uit uw verleden moet nog speciaal worden genoemd: ge hebt in verschillende landen geleefd en rondgekeken. Ge weet, dat men ’t leven op méér dan één wijs kan inrichten. In ons kleine landje, in een omgeving die in den grond nog zeer dorps is, zult ge u toch vrij bewegen. Ge zult weten, dat men critisch mag staan tegenover zijn omgeving en zich niet in alles aan haar gelijk behoeft te schakelen. Houdt het goede dat ge elders, in uw land van herkomst zowel als later, hebt aangeleerd, ten allen tijde hoog en eert zo hen die ’t u hebben bijgebracht.”

1 Comment

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s